RICHTLIJN (EU) 2024/1346 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)

 

RICHTLIJN (EU) 2024/1346 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking)

Bron: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L_202401346

Wat is het onderwerp van deze richtlijn? (Artikel 1)

  • Deze richtlijn voorziet in de normen voor de opvang in de lidstaten van verzoekers om internationale bescherming.

Welke definities worden er in deze richtlijn gehanteerd? (Artikel 2)

  • Een "verzoek om internationale bescherming" is een vraag om bescherming door een derdelander of staatloze die de vluchtelingen- of subsidiaire beschermingsstatus wenst.
  • Een "verzoeker" is een persoon die zo'n verzoek heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.
  • "Gezinsleden" zijn de echtgenoot of niet-gehuwde partner en de ongehuwde (minderjarige of meerderjarige) kinderen, mits het gezin al bestond voor aankomst.
  • Als de verzoeker minderjarig en ongehuwd is, vallen de verantwoordelijke ouders of een andere verantwoordelijke volwassene ook onder het begrip gezinslid.
  • Een "minderjarige" is iemand die jonger is dan 18 jaar, en een "niet-begeleide minderjarige" verblijft zonder een verantwoordelijke volwassene.
  • "Opvangvoorzieningen" zijn alle maatregelen die lidstaten ten behoeve van verzoekers treffen.
  • "Materiële opvangvoorzieningen" omvatten huisvesting, voedsel, kleding, hygiëneproducten en een dagvergoeding.
  • Een "dagvergoeding" is een periodieke vergoeding (waarin altijd een geldbedrag zit) voor een minimum aan autonomie.
  • "Bewaring" is het vasthouden van een verzoeker op een bepaalde plaats zonder dat deze bewegingsvrijheid geniet.
  • Een "opvangcentrum" is elke plaats voor de collectieve huisvesting van verzoekers.
  • Een "onderduikrisico" is de aanname op basis van objectieve criteria dat een verzoeker zou kunnen onderduiken.
  • "Onderduiken" betekent dat de verzoeker feitelijk niet meer beschikbaar is, door bijvoorbeeld zonder toestemming te vertrekken.
  • Een "vertegenwoordiger" is een gekwalificeerde persoon of organisatie die de belangen van een niet-begeleide minderjarige verdedigt en hem bijstaat.
  • Een "verzoeker met bijzondere opvangbehoeften" heeft extra zorg of waarborgen nodig om zijn rechten te kunnen uitoefenen.

Wat is het toepassingsgebied van deze richtlijn? (Artikel 3)

  • De richtlijn is van toepassing op derdelanders en staatlozen die een asielverzoek indienen op het grondgebied van de lidstaten, inclusief aan de grens, in territoriale zeeën en in transitzones.
  • Voorwaarde hiervoor is dat zij wettelijk als verzoeker op het grondgebied mogen verblijven.
  • De regels gelden ook voor de gezinsleden van de verzoeker, mits zij onder datzelfde asielverzoek vallen.
  • De richtlijn is niet van toepassing op verzoeken om diplomatiek of territoriaal asiel die bij buitenlandse vertegenwoordigingen of ambassades worden gedaan.
  • Lidstaten kunnen besluiten deze richtlijn ook toe te passen op andere vormen van bescherming dan de internationale bescherming.

Welke ruimte is er voor gunstigere bepalingen door lidstaten? (Artikel 4)

  • Lidstaten mogen altijd gunstigere bepalingen inzake de opvangvoorzieningen invoeren of handhaven.
  • Dit is toegestaan voor de verzoekers zelf, maar ook voor hun gezinsleden en naaste verwanten.
  • Dit recht is specifiek geldig als de verwanten ten laste komen van de verzoeker of om humanitaire redenen, mits het de richtlijn niet tegenspreekt.

Hoe en wanneer moeten verzoekers worden geïnformeerd? (Artikel 5)

  • Lidstaten moeten verzoekers zo snel mogelijk tijdig informatie verstrekken over hun rechten, plichten en de beschikbare opvangvoorzieningen.
  • Uiterlijk binnen drie dagen na het verzoek krijgen verzoekers standaardinformatie op basis van een speciaal model van het Asielagentschap.
  • De verzoeker krijgt informatie over organisaties die gratis rechtsbijstand, vertegenwoordiging of medische hulp bieden.
  • De informatie wordt schriftelijk verstrekt in duidelijke, eenvoudige bewoordingen en in een taal die de verzoeker begrijpt.
  • Indien nodig wordt de informatie mondeling of visueel verstrekt (bijvoorbeeld met video's of pictogrammen).
  • Niet-begeleide minderjarigen krijgen deze informatie op leeftijdsgeschikte wijze en in het bijzijn van hun (voorlopige) vertegenwoordiger.
  • In uitzonderlijke gevallen, zoals bij een zeldzame taal, mag de informatie eerst uitsluitend mondeling of visueel vertaald worden verstrekt.
  • De lidstaat vraagt de verzoeker dan wel te bevestigen dat de informatie begrepen is en zorgt achteraf zo snel mogelijk voor een schriftelijke vertaling.

Aan welke eisen moeten identiteits- en reisdocumenten voldoen? (Artikel 6)

  • De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de verzoeker het officiële document ontvangt dat bewijst dat hij in de asielprocedure zit.
  • Lidstaten mogen niet onnodig veel documenten of administratieve eisen stellen puur omdat de persoon asiel aanvraagt.
  • Verzoekers krijgen geen reisdocument, tenzij er naar behoren gemotiveerde, ernstige humanitaire of dwingende redenen zijn.
  • Als een reisdocument toch wordt afgegeven, is de geldigheidsduur strikt beperkt tot het benodigde doel.

Hoe mogen lidstaten hun opvangsystemen in de praktijk organiseren? (Artikel 7)

  • Lidstaten mogen hun opvangsystemen vrij organiseren en verzoekers mogen zich vrij bewegen.
  • Lidstaten mogen accommodatie toewijzen aan verzoekers om hun asiel- en opvangsysteem goed te kunnen beheren.
  • Bij de toewijzing wordt altijd rekening gehouden met objectieve factoren, de eenheid van het gezin en bijzondere opvangbehoeften.
  • Lidstaten mogen materiële opvangvoorzieningen afhankelijk maken van de voorwaarde dat de verzoeker ook echt in die toegewezen accommodatie verblijft.
  • Lidstaten mogen mechanismen inzetten om daadwerkelijk te controleren of verzoekers in de accommodatie verblijven.
  • Verzoekers moeten hun adres, telefoonnummer en e-mailadres aan de autoriteiten doorgeven en wijzigingen zo snel mogelijk melden.
  • Er is geen verplicht, formeel administratief besluit nodig om deze specifieke toewijzingen toe te passen.

Wanneer mag een verzoeker aan een geografisch gebied worden toegewezen? (Artikel 8)

  • Lidstaten kunnen verzoekers gedurende hun asielprocedure toewijzen aan een specifiek geografisch gebied op hun grondgebied waarbinnen zij zich vrij mogen bewegen.
  • Dit is uitsluitend toegestaan om verzoeken sneller te verwerken of om verzoekers geografisch beter over het land te spreiden.
  • De verzoeker wordt officieel geïnformeerd over deze toewijzing en over de specifieke grenzen van het gebied.
  • Het gebied moet voldoende groot zijn, toegang bieden tot openbare infrastructuur en het privéleven van de verzoeker garanderen.
  • Een verzoeker mag tijdelijk toestemming vragen om het gebied te verlaten voor dringende familiale of medische redenen.
  • Verlaat een verzoeker het gebied zonder de benodigde toestemming, dan mogen enkel de sancties uit deze specifieke richtlijn worden opgelegd.
  • Geen voorafgaande toestemming is vereist als de persoon een verplichte afspraak met de autoriteiten of rechtbank heeft, mits hij dit meldt.
  • Blijkt uit toezicht of via een beroep dat de verzoeker in het betreffende gebied geen daadwerkelijke toegang heeft tot zijn rechten, dan vervalt de toewijzing.
  • De voorwaarden voor deze toepassing moeten vooraf in het nationale recht staan en aan de Commissie en het Asielagentschap worden gemeld.

Onder welke voorwaarden kan de bewegingsvrijheid worden beperkt? (Artikel 9)

  • Lidstaten kunnen verzoekers verplichten om uitsluitend op een specifieke plaats te verblijven om redenen van openbare orde of bij een onderduikrisico.
  • Dit mag met name wanneer de verzoeker in een ándere lidstaat had moeten blijven of daarheen is teruggebracht na een eerdere vlucht.
  • Materiële opvangvoorzieningen mogen dan voorwaardelijk worden gemaakt aan het daadwerkelijke verblijf op die toegewezen plaats.
  • Lidstaten kunnen tevens een meldingsplicht opleggen (op een vast tijdstip of met tussenpozen) om onderduiken te voorkomen.
  • De verzoeker kan, na een objectieve en onpartijdige toets, toestemming krijgen om deze vaste plaats tijdelijk te verlaten.
  • Bij afspraken met rechtbanken of autoriteiten is geen voorafgaande toestemming, maar uitsluitend kennisgeving vereist.
  • Elk besluit rond bewegingsvrijheid is evenredig en houdt rekening met de individuele behoeften van de verzoeker.
  • De autoriteiten moeten feitelijke en juridische redenen schriftelijk in een begrijpelijke taal vermelden, inclusief de beroepsprocedures.
  • Beperkingen die langer dan twee maanden duren of waartegen in beroep is gegaan, moeten door een rechterlijke instantie worden getoetst.

Wanneer is het toegestaan om een verzoeker in bewaring te houden? (Artikel 10)

  • Een verzoeker mag nooit uitsluitend in bewaring worden gehouden omdat hij verzoeker is of vanwege zijn nationaliteit.
  • De bewaring is nimmer bestraffend van aard en is altijd een maatregel van laatste redmiddel.
  • Het mag uitsluitend op basis van een individuele beoordeling wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet werken.
  • De beslissing neemt direct eventuele bijzondere opvangbehoeften en de geestelijke gezondheid mee in overweging.
  • Bewaring mag om de identiteit of nationaliteit vast te stellen of om asielgegevens bij een onderduikrisico te achterhalen.
  • Bewaring is toegestaan wanneer de verzoeker weigert op zijn toegewezen verblijfplaats te blijven en blijft proberen onder te duiken.
  • Het kan ook in het kader van een asielgrensprocedure, ter bescherming van de nationale veiligheid of openbare orde, of om een terugkeerprocedure veilig te stellen.
  • Lidstaten moeten ervoor zorgen dat er in de nationale wet regels zijn over alternatieven voor bewaring, zoals borgsommen of meldplichten.

Welke juridische waarborgen gelden er voor verzoekers in bewaring? (Artikel 11)

  • Bewaring duurt zo kort mogelijk en mag enkel zolang de wettelijke gronden ervan van toepassing zijn.
  • Administratieve procedures moeten snel en zorgvuldig lopen; trage bureaucratie mag de bewaring niet onnodig oprekken.
  • Het bewaringsbevel wordt schriftelijk gegeven door een rechter of administratieve instantie, inclusief feitelijke en juridische redenen.
  • Als het bevel van een administratieve instantie komt, volgt er een snelle rechterlijke toetsing ambtshalve of op verzoek.
  • Deze rechterlijke toetsing is uiterlijk binnen 15 dagen (of 21 dagen in uitzonderingsgevallen) afgerond; anders volgt onmiddellijke vrijlating.
  • Verzoekers worden direct schriftelijk in een begrijpelijke taal ingelicht over de redenen, beroepsprocedures en gratis rechtsbijstand.
  • Een rechter bekijkt regelmatig, zeker bij nieuwe omstandigheden, of de bewaring nog steeds wettig is.
  • De bewaring van niet-begeleide minderjarigen wordt altijd ambtshalve en regelmatig opnieuw getoetst.
  • Bij deze rechterlijke toetsingsprocedures wordt daadwerkelijke, gratis juridische vertegenwoordiging gegarandeerd.

Hoe moeten de omstandigheden in bewaringsaccommodaties worden ingericht? (Artikel 12)

  • Bewaring vindt normaliter plaats in speciaal daarvoor ingerichte bewaringsaccommodaties.
  • Moet men verplicht gebruikmaken van een gevangenis, dan worden de verzoekers afgescheiden van gewone strafrechtelijke gedetineerden.
  • Waar mogelijk worden zij ook afgescheiden van irreguliere derdelanders die geen asielzoeker zijn.
  • De verzoekers hebben altijd recht op toegang tot ruimten in de open lucht.
  • De VN-Vluchtelingenorganisatie (UNHCR) of erkende ngo's moeten contact kunnen hebben en met privacy kunnen bezoeken.
  • Gezinsleden en juridisch adviseurs krijgen tevens in privacy toegang, tenzij de veiligheid of orde hierdoor zwaar wordt belemmerd.
  • Verzoekers krijgen in een begrijpelijke taal de huisregels en hun rechten en plichten uitgelegd.
  • Aan de grenzen en in transitzones mag men voor een zo kort mogelijke tijd van deze informatieregel afwijken, tenzij men in de officiële grensprocedure zit.

Wat zijn de regels rond de bewaring van verzoekers met bijzondere opvangbehoeften? (Artikel 13)

  • De fysieke en geestelijke gezondheid van kwetsbare verzoekers vormt een absolute en primaire zorg.
  • Als de bewaring hun gezondheid ernstig in gevaar zou brengen, mogen ze niet in bewaring worden gehouden.
  • Als kwetsbaren wel in bewaring zitten, krijgen ze regelmatig medisch toezicht en tijdige noodzakelijke bijstand.
  • Minderjarigen worden in de regel nooit in bewaring geplaatst, maar ondergebracht in geschikte kinderaccommodatie.
  • Gezinnen met kinderen krijgen alternatieven voor bewaring om de eenheid van het gezin te respecteren.
  • In uitzonderlijke omstandigheden mag een minderjarige als laatste redmiddel heel kort in bewaring, bijvoorbeeld om bij een in bewaring zittende ouder te blijven of uit zelfbescherming.
  • Minderjarigen mogen nooit in een gevangenis belanden, en hun belang staat altijd voorop, inclusief recht op educatie en spelactiviteiten.
  • Niet-begeleide minderjarigen gaan naar speciale voorzieningen met geschoold personeel, strikt gescheiden van volwassenen.
  • Gezinnen in bewaring krijgen een eigen leefruimte met voldoende privacy, afgestemd op de behoeften van hun kinderen.
  • Mannen en vrouwen worden strikt gescheiden, tenzij zij familie van elkaar zijn en bij elkaar willen blijven.
  • In grensposten of transitzones mag kortstondig worden afgeweken van sommige scheidingseisen, mits de Commissie hierover wordt geïnformeerd.

Hoe garanderen lidstaten de eenheid van het gezin? (Artikel 14)

  • Lidstaten nemen bij de huisvesting van verzoekers alle passende maatregelen om de eenheid van het gezin op het grondgebied te bewaren.
  • De uitvoering van dergelijke maatregelen gebeurt altijd met de instemming van de verzoeker.

Wanneer is een medisch onderzoek verplicht? (Artikel 15)

  • Lidstaten kunnen verplichten dat verzoekers een medisch onderzoek ondergaan, maar dit is uitsluitend toegestaan ter bescherming van de volksgezondheid.

Welke rechten hebben minderjarigen op scholing en onderwijs? (Artikel 16)

  • Minderjarige verzoekers en de kinderen van verzoekers krijgen dezelfde toegang tot onderwijs als de eigen onderdanen.
  • Het recht op scholing blijft bestaan zolang de minderjarige wacht op een eventuele verwijderingsprocedure.
  • Het onderwijs wordt veelal geïntegreerd met het onderwijs van de eigen onderdanen, is van dezelfde kwaliteit, en speciale behoeften worden meegewogen.
  • Een minderjarige wordt niet uit het secundair onderwijs gegooid puur omdat hij inmiddels achttien jaar (meerderjarig) is geworden.
  • De lidstaat garandeert plaatsing in de school uiterlijk twee maanden nadat de asielaanvraag is gedaan (schoolvakanties uitgezonderd).
  • Het is toegestaan het kind de eerste maand tijdelijk onderwijs te bieden buiten de reguliere scholen om.
  • Minderjarigen krijgen waar nodig voorbereidende lessen en taallessen ter bevordering van hun instroom in het systeem.
  • Als de reguliere scholen onmogelijk te bereiken zijn, voorziet de lidstaat in geschikte, alternatieve onderwijsfaciliteiten.

Wat zijn de voorwaarden omtrent werkgelegenheid en de toegang tot de arbeidsmarkt? (Artikel 17)

  • Verzoekers moeten uiterlijk binnen zes maanden na de registratie van hun verzoek de kans krijgen om te werken, mits de vertraging niet hun eigen schuld is.
  • Als de aanvraag versneld wordt afgewezen op grond van wangedrag of ongegrondheid, vervalt of weigert men deze toegang tot de arbeidsmarkt.
  • Lidstaten mogen via een test controleren of een vacature niet eerst vervuld kan worden door EU-burgers of legaal verblijvende derdelanders.
  • Werkende verzoekers krijgen dezelfde arbeidsvoorwaarden als onderdanen, waaronder bescherming van minimumleeftijd, salaris, verlof en ontslagregels.
  • Zij genieten gelijke behandeling inzake vakbondslidmaatschap, onderwijs, beroepsopleiding en de erkenning van eerder verworven diploma's of vaardigheden.
  • Uitzonderingen mogen gemaakt worden: verzoekers kunnen worden uitgesloten van publieke functies en onderwijsbeurzen, of opleidingen buiten werksverband om.
  • Zodra ze in loondienst treden, genieten verzoekers gelijke toegang tot bepaalde takken van sociale zekerheid.
  • Echter mogen lidstaten socialezekerheidsuitkeringen die losstaan van opgebouwde premies of gewerkte tijdvakken blokkeren.
  • De overheid moet procedures opzetten om verzoekers die geen officiële diploma-papieren konden meenemen, toch toegang te geven tot erkenningsprocedures.
  • Tijdens de behandeling van een beroepsprocedure in de rechtbank behouden verzoekers hun arbeidsrechten, tot de negatieve beslissing valt.

Welke mogelijkheden voor taalcursussen en beroepsopleidingen zijn er? (Artikel 18)

  • Lidstaten bieden of faciliteren de toegang tot taalcursussen, inburgeringscursussen of beroepsopleidingen.
  • Dit doen zij in de mate dat het nuttig is om de asielzoeker zelfstandiger te maken en communicatie met autoriteiten en werkgevers te vergemakkelijken.
  • Als een verzoeker voldoende eigen financiële middelen bezit, kan de lidstaat eisen dat de verzoeker meebetaalt aan deze cursussen.

Wat houden de algemene bepalingen inzake materiële opvang en gezondheidszorg in? (Artikel 19)

  • Lidstaten bieden materiële opvangvoorzieningen (eten, kleding, dak boven het hoofd) aan vanaf het allereerste moment dat het asielverzoek wordt gedaan.
  • De materiële voorzieningen en gezondheidszorg moeten een levensstandaard garanderen die de fysieke en geestelijke gezondheid beschermt.
  • Lidstaten mogen de gratis verstrekking van opvang conditioneel maken aan de voorwaarde dat de verzoeker zelf geen middelen heeft.
  • Verzoekers die wel geld hebben (door werk of bezit), moeten zelf betalen voor of bijdragen aan hun eigen opvang- of ziektekosten.
  • Heeft de overheid ten onrechte de rekeningen betaald voor iemand met verzwegen vermogen, dan mag die verzocht worden tot terugbetaling over te gaan.
  • Dergelijke maatregelen worden altijd toegepast met inachtneming van de evenredigheid, individuele situatie en waardigheid.
  • De waarde van opvanguitkeringen of -bonnen is gebaseerd op het niveau van landelijke minimumnormen, hoewel asielzoekers daarin een minder gunstige behandeling mogen krijgen dan eigen onderdanen.

Hoe worden de materiële opvangvoorzieningen feitelijk ingericht? (Artikel 20)

  • De verstrekte huisvesting kan bestaan uit ruimten aan de grens/transitzone, een opvangcentrum, of in privépanden en hotels in de wijken.
  • In elke vorm garanderen de lidstaten dat het gezinsleven wordt gerespecteerd en dat adviseurs of ngo's bezoeksrechten behouden.
  • Er worden gepaste maatregelen genomen om (seksueel, gendergerelateerd, racistisch of religieus) geweld in de voorzieningen te voorkomen.
  • Voor vrouwen en kinderen worden in opvangcentra veilige locaties en afgescheiden sanitaire voorzieningen gerealiseerd.
  • Zorgbehoeftige volwassenen worden bij voorkeur gehuisvest bij hen verzorgende volwassen familieleden die zich reeds in dat land bevinden.
  • Verplaatsingen tussen centra worden geminimaliseerd, en men kan altijd de juridisch adviseur het nieuwe adres sturen.
  • Het opvang- en onderwijspersoneel is passend opgeleid en kent een strenge beroepsmatige geheimhoudingsplicht.
  • Bewoners kunnen via een adviesraad worden betrokken bij het besturen van hun centrum, en mogen vrijwilligerswerk doen.
  • Bij nood (capaciteitsgebrek, natuurrampen, plotseling grote instroom) mogen lidstaten voor een zo kort mogelijke tijd uitzonderlijke en versoberde opvangvoorzieningen aanbieden.
  • Zelfs bij deze zware crisissituaties blijft een minimaal niveau van grondrechten en onverminderde toegang tot gezondheidszorg de harde eis.
  • Activering van dit afwijkende noodplan moet direct aan de Europese Commissie en het Asielagentschap worden doorgegeven.

Welke regels gelden voor opvangvoorzieningen als de verzoeker in een andere lidstaat is dan waar hij hoort te zijn? (Artikel 21)

  • Vanaf het moment dat een verzoeker in kennis is gesteld van een overdrachtsbesluit (naar de verantwoordelijke lidstaat volgens de regels), heeft deze geen recht meer op de materiële opvangvoorzieningen in de lidstaat waar hij niet hoort te zijn.
  • Dit verbod laat de verplichting onverlet om altijd een levensstandaard te waarborgen die in overeenstemming is met het Unierecht, het Handvest van de grondrechten en internationale verplichtingen.
  • In het overdrachtsbesluit wordt expliciet vermeld dat de relevante opvangvoorzieningen zijn ingetrokken, tenzij hierover een afzonderlijk besluit is afgegeven.
  • Verzoekers moeten worden geïnformeerd over hun rechten en plichten rondom dit besluit.

Waaruit bestaat het recht op gezondheidszorg voor verzoekers? (Artikel 22)

  • Lidstaten zorgen ervoor dat verzoekers de nodige gezondheidszorg ontvangen, ongeacht in welke lidstaat zij geacht worden zich te bevinden.
  • De zorg is van toereikende kwaliteit en wordt naar behoefte door huisartsen of specialisten verleend.
  • Het basispakket omvat ten minste spoedeisende behandelingen, essentiële behandeling van ziekten (waaronder ernstige mentale stoornissen) en noodzakelijke seksuele en reproductieve gezondheidszorg.
  • Minderjarige verzoekers of minderjarige kinderen van verzoekers krijgen toegang tot hetzelfde type gezondheidszorg als de eigen minderjarige onderdanen van de lidstaat.
  • Als een specifieke behandeling in de minderjarigheid als noodzakelijk werd gestart, wordt deze zonder onderbreking voortgezet nadat de persoon meerderjarig is geworden.
  • Verzoekers met bijzondere opvangbehoeften krijgen uit medische overwegingen de noodzakelijke medische en andere zorg, inclusief passende geestelijke zorg en revalidatie of hulpmiddelen.

Onder welke voorwaarden kunnen materiële opvangvoorzieningen worden beperkt of ingetrokken? (Artikel 23)

  • Lidstaten kunnen de dagvergoeding beperken of intrekken als de verzoeker zich volgens de verordeningen eigenlijk in een andere lidstaat hoort te bevinden.
  • Als dit naar behoren gerechtvaardigd en evenredig is, kunnen lidstaten andere materiële voorzieningen eveneens beperken, of intrekken bij ernstige of herhaaldelijke inbreuken op centrumregels of bij gewelddadig of dreigend gedrag.
  • Voorzieningen kunnen worden ingeperkt als een verzoeker zonder toestemming zijn toegewezen geografische gebied of specifieke verblijfplaats verlaat, of onderduikt.
  • Inperking kan plaatsvinden als de verzoeker niet meewerkt met autoriteiten of procedurele vereisten niet opvolgt.
  • Het kan ook als de verzoeker een volgend (nieuw) asielverzoek indient of ten onrechte voorzieningen ontving door financiële middelen verborgen te houden.
  • Tevens is inperking mogelijk als de verzoeker weigert deel te nemen aan verplichte integratiemaatregelen, mits dit niet wegens overmacht is.
  • Verdwijnen de redenen waarop een besluit rustte, dan moet de lidstaat heroverwegen of de voorzieningen weer verstrekt kunnen worden; zo niet, dan volgt een nieuwe met redenen omklede beslissing.
  • Elk besluit wordt objectief, individueel, onpartijdig en met redenen omkleed genomen, waarbij de evenredigheid en de specifieke opvangbehoeften meewegen.
  • Lidstaten waarborgen na een maatregel altijd toegang tot gezondheidszorg, een voldoende levensstandaard en de eerbiediging van Unierecht en het Handvest.
  • Er worden geen voorzieningen beperkt of ingetrokken vóórdat het feitelijke besluit hierover officieel is genomen.

Met welke categorieën verzoekers met bijzondere opvangbehoeften moet rekening worden gehouden? (Artikel 24)

  • De lidstaten houden in alle situaties rekening met verzoekers die bijzondere opvangbehoeften hebben.
  • Bij specifieke categorieën is er vaker sprake van bijzondere opvangbehoeften, zoals bij: minderjarigen en niet-begeleide minderjarigen.
  • Personen met een handicap, ouderen, en zwangere vrouwen.
  • Lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transpersonen en interseksuelen.
  • Alleenstaande ouders met minderjarige kinderen.
  • Slachtoffers van mensenhandel, of personen met een ernstige ziekte of mentale stoornis (zoals posttraumatische stress-stoornissen).
  • Personen die foltering, verkrachting of ernstig psychologisch, fysiek of seksueel geweld ondergingen, waaronder vrouwelijke genitale verminking, kindhuwelijken, gedwongen huwelijken, of geweld met een seksueel, gender-, racistisch of religieus motief.

Hoe verloopt de beoordeling van bijzondere opvangbehoeften en de toewijzing van steun? (Artikel 25)

  • Lidstaten beoordelen zo snel mogelijk individueel of er sprake is van bijzondere opvangbehoeften, eventueel met behulp van mondelinge vertaling.
  • Deze beoordeling kan geïntegreerd worden in bestaande nationale procedures of in procedures van de asielprocedureverordening.
  • De eerste stap is het signaleren van zichtbare tekenen of verklaringen en gedragingen van de verzoeker, zijn vertegenwoordiger of ouders.
  • De beoordeling moet uiterlijk binnen 30 dagen na het asielverzoek (of binnen de termijn van geïntegreerde procedures) zijn afgerond, waarna de vastgestelde behoeften worden ingewilligd.
  • Komen behoeften pas later aan het licht, dan worden deze alsnog direct beoordeeld en voorzien in steun.
  • De steun wordt tijdens de hele asielprocedure aangepast op de behoeften en gemonitord door bevoegde autoriteiten.
  • Het beoordelende personeel is speciaal opgeleid, en er wordt een verslag met observaties en behandelplannen toegevoegd aan het dossier van de persoon.
  • Bij medische aanwijzingen wordt de verzoeker (met zijn voorafgaande toestemming) doorverwezen naar een arts of psycholoog, zo nodig via getrainde tolken of andere instemmende volwassenen.
  • De beslissing over de soort opvang hangt af van dit eventuele medisch en psychologisch advies.
  • Deze beoordeling is geen verplichte administratieve (bureaucratische) procedure op zich.
  • Uitsluitend de verzoekers waarbij bijzondere behoeften vastgesteld zijn, hebben recht op deze speciale steun.
  • De toekenning van opvangbehoeften beïnvloedt de formele beoordeling over het asielrecht of vluchtelingenstatus niet.

Welke bepalingen en prioriteiten gelden voor de opvang van minderjarigen? (Artikel 26)

  • Bij alle beslissingen over minderjarigen vormt het belang van het kind de allereerste overweging en zorgen lidstaten voor een passend ontwikkelingsklimaat.
  • Voor dat belang van het kind wegen lidstaten: de mogelijkheden voor gezinshereniging, het welzijn, de veiligheid en het standpunt van het kind (afgestemd op leeftijd en maturiteit) mee.
  • In opvangcentra krijgen zij toegang tot leeftijdsgebonden vrijetijds-, spel- en recreatieve activiteiten en lesmateriaal.
  • Minderjarigen die slachtoffer zijn van mishandeling, uitbuiting, foltering of gewapende conflicten, krijgen direct toegang tot rehabilitatiediensten en gekwalificeerde geestelijke begeleiding.
  • Minderjarigen worden zo veel mogelijk gehuisvest bij hun ouders of verantwoordelijke volwassenen en bij hun ongehuwde minderjarige broers/zussen, zolang dit in hun belang is.
  • Personeel en vertegenwoordigers mogen geen strafrechtelijke antecedenten met kinderen hebben, krijgen basisopleiding en bijscholing over kinderrechten, en zijn gebonden aan geheimhouding.

Hoe wordt de zorg en vertegenwoordiging van niet-begeleide minderjarigen geregeld? (Artikel 27)

  • Bij claims van een niet-begeleide minderjarige (of als hier sterke signalen voor zijn) wijst de lidstaat onmiddellijk een voorlopige vertegenwoordiger aan en binnen maximaal 15 werkdagen een definitieve vertegenwoordiger.
  • De vertegenwoordigers ontmoeten het kind en wegen diens opvattingen mee; de procedure vervalt als na beoordeling blijkt dat de persoon zonder twijfel ouder is dan 18 jaar.
  • Noodplannen moeten regelen dat bij een overmatige instroom van minderjarigen tijdelijk de beslistermijn met 10 dagen verlengd kan worden en de maximale groepsgrootte naar 50 minderjarigen per vertegenwoordiger opgeschaald kan worden.
  • De aanwijzing van de vertegenwoordiger stopt zodra uit onderzoek blijkt dat het geen minderjarige betreft of niet langer alleen is.
  • Voorlopige vertegenwoordigers worden direct ingelicht; de minderjarige krijgt uitleg; belangenconflicten binnen deze rol zijn strikt verboden.
  • Als organisaties worden aangewezen, wijzen zij één natuurlijke persoon aan die de taak in de praktijk volbrengt.
  • De minderjarige en opvangautoriteit worden in kindvriendelijke taal over de persoon geïnformeerd, en er is een klachtenprocedure mogelijk.
  • Normaal gesproken behartigt één vertegenwoordiger gelijktijdig de taken voor maximaal 30 niet-begeleide minderjarigen.
  • Administratieve organen houden periodiek toezicht op de vertegenwoordigers, waaronder raadpleging van strafregisters.
  • Niet-begeleide minderjarigen worden tot hun vertrek of status gehuisvest bij volwassen bloedverwanten, pleeggezinnen, speciale centra of anderszins veilige accommodatie.
  • Oudere minderjarigen (vanaf 16) kunnen uit eigen belang bij volwassenen worden geplaatst.
  • Broers en zussen blijven voor zover mogelijk bijeen en het aantal woonplaatsveranderingen wordt geminimaliseerd.
  • Lidstaten starten zo snel mogelijk een (veilige en vertrouwelijke) zoektocht naar eventueel in het thuisland achtergebleven familieleden om het gezin te verenigen.

Welke behandeling en zorg krijgen slachtoffers van foltering en geweld? (Artikel 28)

  • Slachtoffers van mensenhandel, foltering, verkrachting, psychologisch, fysiek en seksueel geweld (incl. met een racistisch, gender- of religieus motief) krijgen medische, psychologische behandeling en rehabilitatiediensten voor dit opgelopen letsel.
  • Indien een taalbarrière er is, krijgen deze slachtoffers vertaalhulp.
  • Deze hulp is zo snel mogelijk toegankelijk na het signaleren van de situatie.
  • Werknemers die hulp verlenen, ontvangen passende (rehabilitatie)opleiding en blijven deze ontvangen.
  • Personeel blijft voor deze gevallen streng gebonden aan vertrouwelijkheidsregels en beroepsethiek rond hun taken.

Welke mogelijkheden zijn er voor beroep en rechtsbijstand? (Artikel 29)

  • Er kan in het land altijd beroep worden ingesteld tegen besluiten over opvangvoorzieningen, inperking van het bewegingsgebied of inperking van algemene bewegingsvrijheid.
  • Er is altijd ten minste in laatste instantie een beroep of toetsing (in feite of rechtens) voor een rechterlijke instantie beschikbaar.
  • Bij rechterlijke toetsingen zorgen lidstaten voor gratis rechtsbijstand en vertegenwoordiging (helpen voorbereiden processtukken en pleiten ter zitting) door gekwalificeerde juridisch adviseurs zonder belangenconflict.
  • De lidstaat mag gratis bijstand weigeren als de verzoeker eigen vermogen heeft of wanneer het beroep bij de rechter geen tastbare kans op slagen heeft.
  • Als de weigering op de kans van slagen is gebaseerd, heeft de asielzoeker altijd recht hiertegen bij de rechter in beroep te gaan en kan daarbij ook om een advocaat verzoeken.
  • Lidstaten kunnen gratis rechtsbijstand of tijd hieraan beperken (zonder willekeur) of financieel gelijktrekken met de rechtsbijstandsnormen voor de eigen burgers.
  • Bij het indienen van valse informatie of een verbeterde inkomenspositie mag de staat kosten terugvorderen.
  • Lidstaten formuleren specifieke of reeds bestaande regels om de aanvraag van bijstand te faciliteren, mits dit de aanvraag niet te ingewikkeld of onmogelijk maakt.

Welke verplichting hebben de lidstaten aangaande het melden van bevoegde autoriteiten? (Artikel 30)

  • Elke lidstaat wijst expliciete autoriteiten aan die belast worden met de handhaving van deze richtlijn en deelt dit rechtstreeks mee aan de Commissie.
  • Elke verandering in deze toegewezen autoriteiten wordt onverwijld gemeld.

Hoe dienen lidstaten hun opvangsystemen te sturen, monitoren en controleren? (Artikel 31)

  • Lidstaten implementeren met inachtneming van de grondwet werkbare mechanismen voor het sturen, monitoren en controleren van het niveau van opvang.
  • Hierbij moet gekeken worden naar het gebruiken van de richtsnoeren, beste praktijken, indicatoren en niet-bindende normen die het Asielagentschap hiervoor speciaal heeft opgesteld.
  • De systemen vallen onder en worden beoordeeld via het verplichte Europese monitoringmechanisme in Verordening 2021/2303.

Wat zijn de vereisten voor noodplannen bij een grote toestroom van verzoekers? (Artikel 32)

  • De lidstaat dient, in overleg met lokale partijen en (internationale) organisaties, een noodplan op te stellen om in te grijpen zodra er een disproportioneel hoge asielinstroom is.
  • Dit plan bevat ook specifieke regels en acties om z.s.m. te handelen bij rampen of situaties waar opvangvoorzieningen wegvallen of tijdelijk de bodemkwaliteit raken.
  • Plannen worden gebaseerd op een model van het Asielagentschap en dienen uiterlijk april 2025 klaar te zijn en te zijn ingediend.
  • Noodplannen moeten minimaal driejaarlijks worden herzien of eerder als situaties daar om vragen; het nieuwe plan moet worden opgestuurd.
  • Inwerkingtreding van dit noodscenario verplicht een lidstaat om direct de Commissie en het Asielagentschap in kennis te stellen.
  • Het Asielagentschap ondersteunt de nationale overheden actief op hun verzoek met beoordelingen en het in de steigers zetten van het plan.

Welke opleiding en middelen moeten beschikbaar zijn voor het personeel en de uitvoering? (Artikel 33)

  • Mensen werkzaam bij uitvoerende autoriteiten worden goed opgeleid om behoeften (waaronder de zorg voor minderjarigen) te kunnen inlossen.
  • Lidstaten gebruiken daartoe relevante stukken uit het Europese asielcurriculum en integreren instrumenten voor het identificeren van speciale kwetsbaarheden.
  • Staten trekken de correcte financiële en personele middelen (waaronder tolken) uit voor deze richtlijn en stemmen dat af op seizoenspieken.
  • Ondersteunende lokale, regionale en maatschappelijke organisaties krijgen eveneens middelen mee.

Wanneer en hoe wordt de toepassing van de richtlijn geëvalueerd? (Artikel 34)

  • De Europese Commissie publiceert uiterlijk 12 juni 2028 (en iedere vijf jaar nadien) een inhoudelijk evaluatieverslag voor het Parlement en de Raad over de werking van de richtlijn, met inbegrip van wijzigingsvoorstellen.
  • De nationale lidstaten voorzien de Commissie van benodigde gegevens over hun praktijkervaringen uiterlijk op 12 juni 2027, met driejaarlijkse updates erna.

Wat zijn de vereisten voor de omzetting van deze richtlijn naar nationaal recht? (Artikel 35)

  • Lidstaten moeten dit uiterlijk op 12 juni 2026 formeel via wetteksten hebben ingevoerd voor alle bepalingen uit de richtlijn, en de regels overdragen aan de Commissie.
  • Bij de wetteksten of officiële publicaties ervan moet nadrukkelijk staan dat dit in lijn met deze richtlijn is vormgegeven.
  • In deze wetteksten wordt een clausule toegevoegd dat wetten die naar de ingetrokken oudere opvangrichtlijn verwijzen, direct van toepassing worden verklaard op deze nieuwe regelgeving.
  • Teksten met nieuwe en gewijzigde nationale bepalingen in de context van asiel worden na bekrachtiging steeds ingediend bij de Commissie.

Wat gebeurt er met de eerdere richtlijn inzake opvangvoorzieningen? (Artikel 36)

  • De inmiddels gedateerde Richtlijn 2013/33/EU wordt per 12 juni 2026 officieel ingetrokken voor lidstaten die hiertoe verbonden zijn.
  • Dit is geen excuus voor landen die in het verleden mogelijk eerdere termijnen voor omzetting rond dit besluit onterecht links lieten liggen.
  • Zaken die direct verwezen naar oude artikelen, blijven gelden en zijn wettelijk inwisselbaar geworden door de bijgevoegde concordantietabellen.

Wanneer treedt de richtlijn officieel in werking? (Artikel 37)

  • De nieuwe Europese richtlijn treedt met alle juridische plichten exact in werking op de twintigste dag na plaatsing en formele verspreiding in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Voor wie is deze richtlijn bestemd? (Artikel 38)

  • Deze richtlijn is in zijn geheel, overeenkomstig de Verdragen, rechtstreeks als wetgevingsopdracht gericht tot de lidstaten van de Europese Unie.

 

Europees Asiel- en Migratiepact

Bron: https://home-affairs.ec.europa.eu/policies/migration-and-asylum/pact-migration-and-asylum/legislative-files-nutshell_nl Audio   Het ni...