VERORDENING (EU) 2024/1347 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen

 

VERORDENING (EU) 2024/1347 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD van 14 mei 2024 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen, en voor de inhoud van de verleende bescherming, tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad

Bron: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/PDF/?uri=OJ:L_202401347

Wat is het onderwerp en het doel van deze verordening? (Artikel 1)

  • De verordening stelt normen vast voor de erkenning van derdelanders en staatlozen als personen die internationale bescherming genieten.
  • Het document introduceert regels voor een uniforme status voor vluchtelingen en voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming.
  • Het bepaalt tevens de precieze inhoud en de rechten van de verleende internationale bescherming.

Wat is het materiële toepassingsgebied van deze wetgeving? (Artikel 2)

  • De verordening is van toepassing op de wettelijke erkenning van personen als beschermden en de daaraan verbonden inhoud van de bescherming.
  • De verordening is uitdrukkelijk niet van toepassing op nationale humanitaire statussen die lidstaten zelfstandig toekennen.
  • Het verlenen van zo'n nationale status mag nooit de indruk wekken of leiden tot verwarring met de internationale bescherming uit deze verordening.

Hoe worden de belangrijkste begrippen in deze verordening gedefinieerd? (Artikel 3)

  • Vluchtelingenstatus: De wettelijke erkenning van een persoon als vluchteling door een lidstaat.
  • Subsidiairebeschermingsstatus: De erkenning als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.
  • Internationale bescherming: Een overkoepelend begrip dat de vluchtelingenstatus én de subsidiairebeschermingsstatus omvat.
  • Vluchteling: Een derdelander of staatloze met een gegronde vrees voor vervolging op basis van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of een sociale groep. Deze persoon kan of wil niet terugkeren naar het herkomstland, en valt niet onder de uitsluitingsgronden.
  • Persoon voor subsidiaire bescherming: Iemand die wettelijk geen vluchteling is, maar die wel een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer, en tevens niet van asiel is uitgesloten.
  • Verzoek en Verzoeker: Een persoon die om internationale bescherming (vluchtelingen- of subsidiairebeschermingsstatus) vraagt en wiens asielprocedure nog niet definitief is afgesloten.
  • Gezinsleden: De echtgenoot of duurzame partner (mits de lidstaat ongehuwden gelijkstelt). Het omvat ook ongehuwde kinderen, en bij een minderjarige verzoeker de verantwoordelijke ouders. Het gezin moet al hebben bestaan voor aankomst in de lidstaat.
  • Niet-begeleide minderjarige: Een kind (jonger dan 18 jaar) dat zonder verantwoordelijke volwassene is gearriveerd of nadien alleen is achtergebleven.
  • Land van herkomst: Het land waarvan men de nationaliteit bezit of waar een staatloze voorheen zijn vaste woonplaats had.
  • Tevens bevat het artikel definities voor begrippen als beslissingsautoriteit, verblijfstitel, intrekking van de status, voogdij, sociale zekerheid en sociale bijstand.

Aan welke voorwaarden moeten het indienen van informatie en het beoordelen van feiten voldoen? (Artikel 4)

  • Een verzoeker is verplicht alle beschikbare elementen en bewijzen ter staving aan te leveren, volledig mee te werken, en in de lidstaat aanwezig en beschikbaar te blijven.
  • De benodigde elementen bestaan uit verklaringen en papieren over identiteit, nationaliteit, leeftijd, reisroutes, eerdere asielverzoeken en de redenen van de vlucht.
  • Als een verzoeker eerder al is blootgesteld aan vervolging of ernstige schade, telt dit direct als een duidelijke aanwijzing voor gegronde vrees, tenzij herhaling is uitgesloten.
  • Ontbreken er harde bewijzen, dan krijgt de verzoeker het voordeel van de twijfel als deze oprecht heeft meegewerkt, alles in zijn of haar macht heeft overgelegd, de verklaringen logisch zijn en de verzoeker over het algemeen als geloofwaardig wordt gezien.

Hoe wordt omgegaan met een behoefte aan bescherming die pas ter plaatse ("sur place") is ontstaan? (Artikel 5)

  • Een risico op vervolging mag ook gebaseerd zijn op gebeurtenissen die zijn voorgevallen in het thuisland nadat de verzoeker al was vertrokken.
  • Het kan ook voortkomen uit activiteiten van de verzoeker in het buitenland, met name als dat handelingen zijn die voortvloeien uit overtuigingen die hij of zij thuis al aanhing.
  • Creëert een verzoeker de risico's opzettelijk puur met als doel een asielvergunning te krijgen, dan kan bescherming worden geweigerd. Wel moeten de basisbepalingen uit het EVRM en het Verdrag van Genève altijd gerespecteerd blijven.

Wie of wat kunnen de actoren van vervolging of ernstige schade zijn? (Artikel 6)

  • De staat of nationale overheid.
  • Partijen, facties of organisaties die de staat of een wezenlijk deel van het grondgebied de facto in handen hebben.
  • Niet-overheidsactoren (zoals milities of criminele organisaties), in de situatie dat de formele machthebbers weigeren of niet in staat zijn om bescherming te bieden.

Wie gelden er als actoren van bescherming en onder welke voorwaarden? (Artikel 7)

  • Bescherming kan worden verleend door de staat, of door stabiele, gevestigde groepen en internationale organisaties die over het grondgebied heersen.
  • Deze bescherming wordt enkel geaccepteerd als zij daadwerkelijk doeltreffend en niet van tijdelijke aard is.
  • Dat betekent dat de instanties redelijke stappen nemen (zoals een juridisch bestraffingssysteem voor misdrijven) waar de verzoeker ook echt zelf toegang tot heeft.
  • Om dit te beoordelen gebruikt de autoriteit objectieve, actuele landeninformatie, onder meer via het Asielagentschap.

Hoe wordt onderzocht of er sprake is van een binnenlands beschermingsalternatief? (Artikel 8)

  • Als de overheid níet de vervolger is, moet de asielinstantie eerst onderzoeken of de verzoeker in een ander deel van het eigen land veilig en beschermd kan wonen.
  • Als de overheid wél de vervolger is, wordt er standaard aangenomen dat nergens in het land bescherming is, tenzij die overheid slechts de macht heeft over een klein stuk land.
  • Het is aan de asielautoriteit om aan te tonen dat dit binnenlandse alternatief bestaat. Vervolgens mag de verzoeker met bewijs het tegendeel beargumenteren.
  • De toetsing kijkt naar de algemene veiligheid en bereikbaarheid van de regio, én naar de specifieke persoonlijke eigenschappen van de verzoeker, zoals gender, geaardheid en of deze er in de basisbehoeften kan voorzien.
  • Betreft het een minderjarige zonder begeleiding, dan kijkt men primair naar het belang van het kind en de aanwezigheid van duurzame kinderopvang.

Wat wordt wettelijk beschouwd als een daad van vervolging? (Artikel 9)

  • Een actie geldt als vervolging als deze dermate zwaar of aanhoudend is dat het leidt tot schending van de mensenrechten, óf als het een combinatie van maatregelen is met dezelfde impact.
  • Vervolging kan vele vormen aannemen, zoals lichamelijk en seksueel geweld, discriminerende straffen, partijdige wetgeving of de ontneming van de toegang tot justitie.
  • Bestraffing wegens het weigeren van dienstplicht in een oorlog waarbij oorlogsmisdaden worden gepleegd, geldt eveneens als vervolging. Ook is er ruimte voor daden van genderspecifieke en kindspecifieke aard.
  • Er moet altijd een duidelijk verband bestaan tussen deze daden van vervolging en minimaal één van de officiële vervolgingsgronden.

Welke criteria gelden voor de wettelijke gronden voor vervolging? (Artikel 10)

  • Ras: Dit richt zich op huidskleur, afkomst en etniciteit.
  • Godsdienst: Dit dekt elke vorm van geloof (of atheïsme) en de actieve beleving en uiting daarvan.
  • Nationaliteit: Dit reikt verder dan formeel staatsburgerschap en omvat de culturele en taalkundige identiteit.
  • Bepaalde sociale groep: Dit geldt voor mensen met een onveranderlijk kenmerk (waarvan men redelijkerwijs niet kan vragen dit op te geven) die in hun land als afwijkend worden gezien. Genderidentiteit en seksuele geaardheid vallen uitdrukkelijk binnen deze groep.
  • Politieke overtuiging: Iedere mening, theorie of overtuiging over machthebbers en overheidsbeleid.
  • Ook als de verzoeker de genoemde eigenschap niet daadwerkelijk bezit, telt dit, mits de vervolger de eigenschap wel aan hem of haar toeschrijft.
  • Instanties mogen nooit van een asielzoeker verwachten dat deze de identiteit of het gedrag verbergt of wijzigt om vervolging in het thuisland te voorkomen.

Om welke redenen wordt de vluchtelingenstatus beëindigd? (Artikel 11)

  • Het recht op deze status stopt als de verzoeker uit eigen wil weer de bescherming van zijn herkomstland aanvraagt, zijn originele nationaliteit herwint, of een nieuwe nationaliteit met bescherming aanneemt.
  • De status wordt ook ingetrokken als de vluchteling zelf besluit om duurzaam en vrijwillig terug te keren naar het land waar hij eerder uit vluchtte.
  • De status eindigt indien de omstandigheden in het herkomstland dusdanig ingrijpend en definitief zijn opgelost dat vluchten onnodig is geworden.
  • Is de persoon echter in het verleden dusdanig zwaar vervolgd dat deze door traumatische en dwingende redenen alsnog niet terug wil, dan mag men bescherming behouden.
  • Het intrekken wegens een verbeterde situatie is altijd gebaseerd op nauwkeurige informatie, waarbij getoetst wordt of de verbetering wezenlijk en blijvend is.

In welke situaties wordt een persoon uitgesloten van de vluchtelingenstatus? (Artikel 12)

  • Een asielzoeker wordt onvermijdelijk uitgesloten indien deze in het huidige verblijfsland al dezelfde rechten en plichten geniet als een normale staatsburger.
  • Ook wie al wordt opgevangen en bijgestaan door specifieke andere VN-organisaties wordt uitgesloten, tenzij de hulp aldaar stopt.
  • Er geldt een strikte en dwingende uitsluiting voor personen van wie ernstig vermoed wordt dat zij een oorlogsmisdaad, misdaad tegen de menselijkheid of een ander misdrijf tegen de vrede hebben gepleegd.
  • Tevens is de vluchtelingenstatus niet voor mensen die een zwaar niet-politiek misdrijf pleegden (inclusief exceptioneel wrede misdaden met een politiek motief) of die ingingen tegen de kerndoelen van de VN.
  • Uitsluiting raakt ook mensen die als medeplichtige meewerkten of aanzetten tot dergelijke wandaden.
  • Zodra er sprake is van uitsluiting, wijst de autoriteit de aanvraag af zonder nog een belangenafweging te maken rond de geclaimde angst voor vervolging.
  • Voor minderjarige daders weegt men wel altijd mee vanaf welke leeftijd men in de betreffende lidstaat strafrechtelijk aansprakelijk gehouden zou worden.

Wanneer wordt de vluchtelingenstatus verleend? (Artikel 13)

  • De beslissingsautoriteit kent de status onvoorwaardelijk toe aan elke staatloze of derdelander die daadwerkelijk als vluchteling wordt beschouwd via alle eerdere vereisten uit deze verordening.

Om welke redenen trekt een lidstaat de vluchtelingenstatus in? (Artikel 14)

  • De status vervalt bij de beëindigingsgronden of wanneer na verlening blijkt dat een persoon eigenlijk onder uitsluiting viel.
  • Fraude, het achterhouden van feiten, of het gebruik van vervalste documenten leidt tot de intrekking van de status, mits die documenten of feiten de doorslag gaven voor de eerdere toekenning.
  • Bescherming wordt ingetrokken indien de persoon wordt aangemerkt als staatsgevaarlijk voor de veiligheid, of via een zware strafrechtelijke veroordeling een publiek gevaar is gebleken.
  • Bij gevaar voor de samenleving of staat mag de autoriteit de toekenning ook tijdens het eerste asielverzoek al weigeren.
  • Mensen wier status om veiligheidsredenen wordt afgenomen behouden zolang ze binnen het land verblijven wél enkele minimale grondrechten uit het Verdrag van Genève (zoals non-refoulement).
  • De overheid moet bij een intrekking in elk individueel geval met bewijzen aantonen waarom de verzoeker geen status meer geniet.

Wat valt er onder het begrip 'ernstige schade' bij de voorwaarden voor subsidiaire bescherming? (Artikel 15)

  • Het oplopen van de doodstraf of een voltrokken executie.
  • Het ondergaan van foltering, dan wel van onmenselijke en vernederende bestraffingen of behandelingen.
  • Het blootstaan aan een persoonlijke en zeer ernstige levensbedreiging omdat er sprake is van willekeurig excessief geweld in een internationaal of intern oorlogsgebied.

Wanneer wordt de subsidiairebeschermingsstatus beëindigd? (Artikel 16)

  • Deze specifieke bescherming wordt stopgezet zodra het geweld of de gronden die ertoe hebben geleid zijn opgelost en niet meer actueel zijn.
  • Om dit aan te tonen zoekt de instantie nauwkeurige informatie, en moet er bewezen worden dat de rust wezenlijk en duurzaam is hersteld in het land van herkomst.
  • De uitzonderingsclausule voor dwingende redenen (het niet meer kunnen of willen inroepen van bescherming wegens in het verleden aangerichte zware trauma's) is hier onverminderd van toepassing.

Wanneer wordt iemand uitgesloten van subsidiaire bescherming? (Artikel 17)

  • Iedereen die oorlogsmisdrijven, mensenrechtenschendingen of VN-vrede-schendingen op zijn geweten heeft, wordt automatisch geweigerd.
  • Men wordt eveneens verplicht uitgesloten bij een (eerder) begaan ernstig misdrijf, of wanneer de persoon gevaarlijk is voor de binnenlandse veiligheid.
  • Er geldt een facultatieve (mogelijke) uitsluiting als men in het thuisland al een delict heeft gepleegd waarop in Europa gevangenisstraf zou staan, en men louter is gevlucht om de strafvervolging te saboteren.
  • Mededaders en uitlokkers vallen in gelijke mate onder de uitsluiting.
  • Ook in deze module leidt uitsluiting tot de onmiddellijke afwijzing van de aanvraag, zonder nog te toetsen op de gevreesde ernstige schade.
  • Waar het minderjarigen aangaat, past de asielinstantie opnieuw de lokale strafrechtelijke minimumleeftijd toe in haar beoordeling.

Wanneer wordt de subsidiairebeschermingsstatus verleend? (Artikel 18)

  • Enkel wanneer een persoon volledig voldoet aan de eisen voor subsidiaire bescherming en aan geen enkele uitsluitingsgrond beantwoordt, wordt de subsidiaire status zonder oponthoud door de beslissingsautoriteit verstrekt.

Wanneer wordt de subsidiairebeschermingsstatus ingetrokken? (Artikel 19)

  • Dit gebeurt logischerwijs wanneer de beëindigingsgronden zijn opgetreden, of men zich er achteraf van bewust wordt dat een uitsluitingsgrond van toepassing had moeten zijn.
  • Vervalsingen van feiten en valse bewijzen die leidden tot de eerdere subsidiairebeschermingsstatus zijn tevens een intrekkingseis.
  • Men moet, net als bij de vluchtelingenstatus, ook voor de subsidiairebeschermingsstatus per persoon aantonen waarom een formele intrekking legitiem is.

Welke algemene bepalingen gelden voor de rechten en plichten van beschermden? (Artikel 20)

  • Naast het basisrecht dat geboden wordt via het internationale Verdrag van Genève, genieten goedgekeurde asielzoekers alle aanvullende plichten en voorzieningen uit dit gedeelte van de verordening.
  • De toegang tot alle rechten ontstaat zonder vertraging direct vanaf het toekenningsbesluit.
  • Wordt het pasje voor de daadwerkelijke verblijfstitel niet binnen twee weken (15 dagen) afgedrukt, dan zorgt de overheid voor een voorlopig document waardoor de basisrechten wel genoten kunnen worden (uitgezonderd vrij verkeer of Europese reisdocumenten).
  • Voor kwetsbare asielzoekers (waaronder bejaarden, gehandicapten, zwangeren, folterslachtoffers en alleenstaande verzorgers) neemt de overheid waar nodig bijzondere, op maat gemaakte maatregelen.
  • Bij kinderen hanteert de lidstaat ten allen tijde het superieure belang van het kind als primaire richtlijn.

Hoe wordt het beginsel van non-refoulement toegepast? (Artikel 21)

  • Het beginsel van non-refoulement wordt geëerbiedigd in overeenstemming met het Unierecht en het internationale recht.

Welke informatie moet aan personen die internationale bescherming genieten worden verstrekt? (Artikel 22)

  • De bevoegde autoriteiten geven deze personen zo spoedig mogelijk informatie over de rechten en plichten die horen bij hun status.
  • Deze informatie wordt verstrekt in een taal die zij begrijpen of redelijkerwijs kunnen begrijpen.
  • De informatie vermeldt uitdrukkelijk de gevolgen als de regels voor het verkeer binnen de Unie niet worden nageleefd.

Welke regels gelden er voor de instandhouding van het gezin en verblijfstitels voor gezinsleden? (Artikel 23)

  • Gezinsleden die zelf niet in aanmerking komen voor internationale bescherming, krijgen een verblijfstitel in de lidstaat.
  • Deze verblijfstitel vervalt op exact dezelfde datum als de verblijfstitel van de persoon die internationale bescherming geniet.
  • De titel kan worden verlengd zolang de titel van de beschermde persoon wordt verlengd.
  • Er wordt geen verblijfstitel afgegeven aan een gezinslid dat op grond van specifieke regels is uitgesloten van internationale bescherming.
  • Er wordt geen verblijfstitel afgegeven bij sterke aanwijzingen dat het om een schijnhuwelijk of schijnpartnerschap gaat.
  • Een verblijfstitel mag worden geweigerd of ingetrokken om redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
  • Gezinsleden met een verblijfstitel genieten dezelfde rechten rondom onder meer reisdocumenten, werk, onderwijs en gezondheidszorg.
  • Lidstaten mogen deze regels ook toepassen op andere naaste verwanten (zoals broers of zussen) die ten laste komen van de beschermde persoon.
  • Lidstaten mogen dit ook toepassen op gehuwde minderjarigen, mits dit in het belang van de minderjarige is.

Onder welke voorwaarden krijgen beschermde personen een verblijfstitel? (Artikel 24)

  • Personen met internationale bescherming hebben recht op een verblijfstitel zolang zij hun status behouden.
  • Deze titel wordt zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 90 dagen na de beslissing tot toekenning verstrekt.
  • De afgifte is gratis, of de kosten bedragen maximaal de vergoeding die eigen onderdanen betalen voor een identiteitskaart.
  • De initiële geldigheidsduur is ten minste drie jaar voor vluchtelingen en ten minste één jaar voor personen met subsidiaire bescherming.
  • Bij een verlenging is de titel ten minste drie jaar geldig voor vluchtelingen en ten minste twee jaar voor personen met subsidiaire bescherming.
  • De verlenging moet zodanig georganiseerd worden dat de periode van toegestaan verblijf niet in de tijd wordt onderbroken.
  • Een verblijfstitel kan uitsluitend worden herroepen of geweigerd als de beschermingsstatus zelf wordt ingetrokken.

Welke regels gelden voor de afgifte van reisdocumenten? (Artikel 25)

  • Vluchtelingen krijgen een reisdocument volgens de voorgeschreven vorm van het Verdrag van Genève.
  • Dit document is langer dan één jaar geldig.
  • Dit recht geldt tenzij dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde de afgifte verhinderen.
  • Personen met subsidiaire bescherming die geen nationaal paspoort kunnen krijgen, ontvangen een reisdocument dat langer dan één jaar geldig is.
  • Ook voor hen kan het document worden geweigerd om dwingende redenen van nationale veiligheid of openbare orde.
  • Deze documenten moeten voldoen aan de minimumnormen voor veiligheidskenmerken en biometrische gegevens.
  • Lidstaten die niet aan het Schengenacquis deelnemen, moeten vergelijkbare documenten verstrekken met gelijkwaardige veiligheidskenmerken.

In hoeverre is vrij verkeer binnen de lidstaat toegestaan? (Artikel 26)

  • Personen die internationale bescherming genieten, mogen zich vrij verplaatsen binnen het grondgebied van de lidstaat die de bescherming verleent.
  • Zij mogen hun verblijfsplaats binnen dat grondgebied vrij kiezen.
  • Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden en beperkingen als voor andere legaal verblijvende derdelanders.

Welke rechten gelden voor het verkeer binnen de Europese Unie? (Artikel 27)

  • Personen met internationale bescherming hebben geen recht om te verblijven in een andere lidstaat dan de lidstaat die hun bescherming heeft verleend.
  • Zij behouden echter het recht om officieel verblijf in een andere lidstaat aan te vragen.
  • Zij mogen zich wel tijdelijk vrij verplaatsen binnen het Schengengebied volgens de regels van de Schengenuitvoeringsovereenkomst.

Welke rechten hebben beschermde personen met betrekking tot toegang tot werk? (Artikel 28)

  • Zij hebben onmiddellijk na de toekenning van bescherming recht om te gaan werken als werknemer of als zelfstandige.
  • Zij worden gelijk behandeld als onderdanen van de lidstaat wat betreft tewerkstellingsvoorwaarden (zoals de minimumleeftijd om te werken) en arbeidsvoorwaarden (zoals salaris, ontslag en werktijden).
  • Zij krijgen gelijke rechten inzake lidmaatschap van vakbonden en werkgeversorganisaties.
  • Zij krijgen gelijke rechten voor volwassenenonderwijs gericht op de arbeidsmarkt en voor beroepsopleidingen.
  • Zij worden gelijk behandeld bij de toegang tot adviesdiensten van arbeidsbureaus.
  • De autoriteiten moeten de volledige toegang tot deze opleidingen en diensten waar nodig actief faciliteren.

Welke regels bepalen de toegang tot onderwijs? (Artikel 29)

  • Minderjarigen met bescherming worden voor de toegang tot het onderwijsstelsel gelijk behandeld als eigen onderdanen van de lidstaat.
  • Zij behouden altijd het recht om hun middelbaar onderwijs af te ronden, ongeacht of zij in de tussentijd meerderjarig zijn geworden.
  • Volwassenen met bescherming worden voor het algemene onderwijsstelsel, voortgezette opleidingen en omscholing gelijk behandeld als eigen onderdanen.
  • De bevoegde instanties mogen echter beurzen en leningen aan volwassenen weigeren, indien het nationale recht in die mogelijkheid voorziet.

Hoe wordt omgegaan met de erkenning van kwalificaties en vaardigheden? (Artikel 30)

  • Beschermde personen worden gelijk behandeld als eigen onderdanen bij de erkenning van buitenlandse diploma's en getuigschriften.
  • Voor personen die geen bewijsstukken van hun kwalificaties kunnen overleggen, moeten de autoriteiten de toegang tot deze procedures faciliteren.
  • Zij krijgen een gelijke behandeling inzake de toegang tot regelingen voor de beoordeling en validering van eerdere leerervaringen.

Welke rechten bestaan er rondom sociale zekerheid en sociale bijstand? (Artikel 31)

  • Beschermde personen worden gelijk behandeld als eigen onderdanen van de lidstaat met betrekking tot sociale zekerheid en sociale bijstand.
  • Aan deze bijstand kan de eis worden verbonden dat de persoon daadwerkelijk deelneemt aan verplichte, gratis en toegankelijke integratiemaatregelen.
  • Voor personen met subsidiaire bescherming mag de sociale bijstand worden beperkt tot uitsluitend de meest fundamentele prestaties, als het nationaal recht dit toelaat.
  • Deze fundamentele prestaties omvatten ten minste minimale inkomenssteun, ziekte- en zwangerschapsbijstand, hulpverlening aan ouders en huisvestingstoelagen.

Hoe wordt de toegang tot gezondheidszorg geregeld? (Artikel 32)

  • Beschermde personen hebben toegang tot gezondheidszorg onder precies dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen.
  • Personen met bijzondere behoeften (zoals zwangeren, gehandicapten, en slachtoffers van foltering, geweld of mensenhandel) krijgen passende gezondheidszorg, inclusief de behandeling van geestesziekten.
  • Ook deze gespecialiseerde gezondheidszorg wordt geboden onder dezelfde voorwaarden als die voor eigen onderdanen gelden.

Welke specifieke waarborgen gelden er voor niet-begeleide minderjarigen? (Artikel 33)

  • Er wordt zo spoedig mogelijk na het verlenen van bescherming een voogd aangewezen.
  • De vertegenwoordiger uit de asielprocedure mag de taak van voogd blijven uitvoeren zonder nieuwe officiële aanwijzing.
  • Organisaties of personen met een belangenconflict komen niet in aanmerking om voogd te worden.
  • De voogd zorgt dat de minderjarige al zijn rechten krijgt, staat hem bij in procedures (bijvoorbeeld bij intrekking van de status) en helpt het gezin op te sporen.
  • De voogd moet deskundig zijn, geheimhoudingsplicht hebben en mag geen antecedenten hebben in relatie tot misdrijven met kinderen.
  • Een voogd mag maximaal een evenredig en beperkt aantal minderjarigen vertegenwoordigen om doeltreffend te kunnen werken.
  • De lidstaat zorgt voor toezicht op voogden, een klachtenregeling voor minderjarigen, en vervangt de voogd indien hij of zij onvoldoende functioneert.
  • Minderjarigen worden geplaatst bij bloedverwanten, in pleeggezinnen, speciale centra of andere voor minderjarigen geschikte huisvesting.
  • De minderjarige krijgt inspraak bij deze plaatsing, passend bij zijn leeftijd en maturiteit.
  • Broers en zussen worden zoveel mogelijk bij elkaar gehuisvest.
  • Het zoeken naar gezinsleden wordt zo snel mogelijk gestart of voortgezet.
  • Bij gevaar voor de achtergebleven familieleden wordt alle informatie strikt vertrouwelijk behandeld.

Hoe wordt de toegang tot huisvesting gegarandeerd? (Artikel 34)

  • Beschermde personen hebben recht op toegang tot huisvesting onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan die voor andere legaal verblijvende derdelanders.
  • Nationale praktijken rondom de spreiding van personen moeten een gelijke behandeling en gelijke kansen op huisvesting garanderen, tenzij een verschil objectief gerechtvaardigd is.

Wat zijn de regels voor deelname aan integratiemaatregelen? (Artikel 35)

  • Beschermde personen krijgen toegang tot passende integratiemaatregelen, zoals taalcursussen en beroepsopleidingen, om integratie in de samenleving te bevorderen.
  • Zij moeten deelnemen als de lidstaat dit verplicht stelt, mits deze maatregelen toegankelijk en gratis zijn.
  • Lidstaten mogen echter wél een vergoeding vragen als de persoon over voldoende middelen beschikt en de kosten geen onevenredige last vormen.
  • Er worden geen sancties toegepast als een persoon door omstandigheden van overmacht niet aan de integratiemaatregelen kan deelnemen.

Welke bepaling geldt er voor repatriëring? (Artikel 36)

  • Lidstaten kunnen bijstand verlenen aan personen die internationale bescherming genieten als zij uit vrije wil gerepatrieerd wensen te worden.

Hoe wordt de administratieve samenwerking tussen lidstaten georganiseerd? (Artikel 37)

  • Elke lidstaat wijst een nationaal contactpunt aan voor deze verordening en deelt het adres daarvan mee aan de Commissie.
  • De lidstaten en de Commissie nemen passende maatregelen om een rechtstreekse samenwerking en informatie-uitwisseling tot stand te brengen.

Welke eisen worden er gesteld aan het uitvoerende personeel? (Artikel 38)

  • Alle autoriteiten en organisaties die de verordening uitvoeren, moeten de benodigde opleiding hebben ontvangen of zullen deze ontvangen.
  • Zij zijn wettelijk gebonden aan geheimhouding voor alle persoonlijke informatie die zij bij hun werkzaamheden inzien of verkrijgen.

Wanneer en hoe wordt deze verordening geëvalueerd? (Artikel 39)

  • De Commissie brengt uiterlijk op 13 juni 2028 en daarna om de vijf jaar verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de toepassing van de verordening.
  • Lidstaten moeten negen maanden voor het verstrijken van deze termijn alle relevante informatie aan de Commissie aanleveren om het verslag te kunnen maken.

Welke wijzigingen brengt deze verordening aan in Richtlijn 2003/109/EG? (Artikel 40)

  • Bij de berekening van de periode van vijf jaar voor het bereiken van de status van langdurig ingezetene, telt de tijd tussen het asielverzoek en de afgifte van de verblijfstitel mee.
  • Als een beschermde persoon zich in een ándere lidstaat bevindt zonder officieel verblijfsrecht, dan vervalt de opgebouwde verblijfsduur en begint de berekening van vijf jaar weer op nul.
  • Deze reset van de termijn kan worden voorkomen indien de persoon aantoont dat het verblijf in die andere lidstaat te wijten was aan omstandigheden buiten zijn of haar macht.
  • Lidstaten moeten nationale bepalingen invoeren om uiterlijk op 12 juni 2026 aan deze aanpassingen te voldoen.

Welke bestaande wetgeving wordt ingetrokken? (Artikel 41)

  • Richtlijn 2011/95/EU wordt ingetrokken met ingang van 12 juni 2026.
  • Verwijzingen naar de oude richtlijn gelden vanaf dat moment als verwijzingen naar deze nieuwe verordening via een bijgevoegde concordantietabel.
  • Ook de oude Richtlijn 2004/83/EG wordt ingetrokken voor de lidstaten die daaraan gebonden waren, met ingang van de datum waarop deze nieuwe verordening voor hen bindend wordt.

Wanneer treedt deze verordening in werking en vanaf wanneer is deze van toepassing? (Artikel 42)

  • Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag nadat deze is gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
  • De bepalingen van de verordening zijn daadwerkelijk van toepassing met ingang van 1 juli 2026.
  • De verordening is volledig bindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten.

 

Europees Asiel- en Migratiepact

Bron: https://home-affairs.ec.europa.eu/policies/migration-and-asylum/pact-migration-and-asylum/legislative-files-nutshell_nl Audio   Het ni...